Home › Optie-woordenlijst

Optie-woordenlijst

Elke optieterm die je op OptionProfit tegenkomt, in begrijpelijke taal uitgelegd. De termen blijven in het gebruikelijke Engelse jargon; de uitleg is voor wie leert.

0DTE (zero days to expiration)
Een optie op zijn expiratiedag — extreem gevoelig voor koers en tijd, en een snelle manier om de hele premie te winnen of te verliezen.
American-style option
Een optie die op elk moment tot expiratie kan worden uitgeoefend — de standaard voor aandelen- en ETF-opties.
Assignment
Wanneer een optieverkoper het contract moet nakomen — de aandelen leveren of kopen — omdat de koper heeft uitgeoefend.
Assignment risk / early assignment
De kans dat een geschreven optie vóór expiratie wordt toegewezen — het meest waarschijnlijk bij in-the-money calls rond een dividend.
At the money (ATM)
Een optie waarvan de strike gelijk is aan (of vlak bij) de huidige koers.
Bear put spread
Een put kopen en een put met lagere strike schrijven — een gematigd dalende debit-trade met gedefinieerd risico.
Bid-ask spread
Het verschil tussen de hoogste prijs die kopers bieden en de laagste die verkopers vragen — een krappe spread betekent een liquide, goedkoper te verhandelen optie.
Black-Scholes model
De klassieke formule om een optie te prijzen op basis van koers, strike, tijd, rente en volatiliteit — de basis voor de Grieken.
Box spread
Een vier-leg-combinatie van een bull call spread en een bear put spread die een vaste waarde vastlegt — vooral gebruikt als cash-achtige financieringstrade.
Break-even
De koers waarbij een trade op expiratie niets wint en niets verliest.
Bull call spread
Een call kopen en een call met hogere strike schrijven — een gematigd stijgende debit-trade met gedefinieerd risico.
Butterfly spread
Een drie-strike-strategie met gedefinieerd risico die het meest uitbetaalt als het aandeel precies op de middelste strike eindigt.
Buying power reduction
Het deel van je rekening dat een trade als onderpand vastzet — hoeveel een broker apart zet zolang een positie openstaat.
Calendar spread
Een kortlopende optie schrijven en een langerlopende op dezelfde strike kopen — een weddenschap op tijdverlies en stabiele koersen.
Call
Een optie die de koper het recht geeft 100 aandelen tegen de strike te kopen vóór expiratie — hij wordt meer waard als het aandeel stijgt.
Cash settlement
Een optie in contanten afwikkelen in plaats van aandelen te leveren — standaard voor indexopties zoals SPX.
Cash-secured put
Een put schrijven terwijl je genoeg cash aanhoudt om de aandelen te kopen bij toewijzing — betaald worden om te wachten met een aandeel kopen.
Collar
Aandelen aanhouden en tegelijk een protective put kopen en een covered call schrijven — de call betaalt de put, wat zowel neer- als opwaartse kant begrenst.
Contract multiplier
Eén aandelenoptiecontract beheerst 100 aandelen, dus een premie van $2,00 kost $200 — vermenigvuldig de genoteerde prijs altijd met 100.
Covered call
Een call schrijven tegen 100 aandelen die je al bezit om premie te innen — inkomen in ruil voor een begrensde opwaartse kant.
Credit spread
Een spread die je opent voor een netto credit — je ontvangt vooraf premie en wil dat de opties waardeloos aflopen.
Debit spread
Een spread die je opent voor een netto debit — je betaalt vooraf premie en wint als het aandeel jouw kant op beweegt.
Debit vs credit
Een debit-trade kost geld om te openen (je betaalt netto premie); een credit-trade betaalt je vooraf (je ontvangt netto premie).
Deep in the money
Een optie waarvan de strike ver in-the-money staat, zodat hij vooral intrinsieke waarde is en zich bijna als het aandeel zelf gedraagt.
Delta
Hoeveel de optieprijs beweegt bij een beweging van $1 in het aandeel; ook een ruwe maat voor de kans om in-the-money te eindigen.
Diagonal spread
Een calendar spread met zowel verschillende strikes als expiraties — deels een gerichte, deels een tijdverlies-weddenschap.
European-style option
Een optie die alleen op expiratie kan worden uitgeoefend — gebruikelijk bij indexopties, die ook meestal cash-settled zijn.
Ex-dividend date
De peildatum om een aandeel te bezitten en het volgende dividend te ontvangen — een cruciale datum voor het risico op vervroegde toewijzing bij in-the-money geschreven calls.
Exercise
Het recht van een optie gebruiken — de 100 aandelen kopen (call) of verkopen (put) tegen de strike.
Expected move
De omvang van de beweging die de optiemarkt vóór een gebeurtenis inprijst, uit de impliciete volatiliteit — ruwweg de prijs van de at-the-money straddle.
Expiration
De datum waarop de optie eindigt; daarna wordt het contract in-the-money afgewikkeld of loopt het waardeloos af.
Gamma
De snelheid waarmee delta zelf verandert naarmate het aandeel beweegt — hoge gamma betekent dat delta snel verschuift.
Hedge
Een positie om het risico van een andere te compenseren — bijvoorbeeld een put kopen om je aandelen te beschermen.
Historical volatility (HV)
Hoeveel het aandeel in het verleden werkelijk bewoog, gemeten uit zijn koershistoriek — de tegenhanger van impliciete volatiliteit.
Implied volatility (IV)
De volatiliteit die de markt in een optie prijst — hoe grote beweging ze verwacht; hoge IV maakt opties duur.
In the money (ITM)
Een optie met intrinsieke waarde: een call met strike onder de koers, of een put met strike erboven.
Intrinsic value
Het deel van de optieprijs dat al "echt" is — hoe ver hij nu in-the-money staat.
Iron butterfly
Een short straddle met beschermende vleugels eromheen — een vier-leg-weddenschap met gedefinieerd risico op een aandeel dat dicht bij één strike blijft.
Iron condor
Een vier-leg-strategie met gedefinieerd risico die winst maakt als het aandeel binnen een bereik blijft — een weddenschap op weinig beweging.
IV crush
De scherpe daling van de impliciete volatiliteit vlak na een gebeurtenis zoals earnings — het kan de optieprijs kelderen, zelfs als het aandeel jouw kant op beweegt.
IV rank / IV percentile
Hoe hoog de impliciete volatiliteit van vandaag is ten opzichte van het afgelopen jaar — een manier om te beoordelen of opties nu goedkoop of duur zijn.
LEAPS
Langlopende opties — die met meer dan ongeveer een jaar tot expiratie, vaak gebruikt als goedkopere aandelenvervanger.
Leverage
Met een kleine premie een grote hoeveelheid aandelen beheersen — opties vergroten zowel winst als verlies.
Margin
Geleende koopkracht van je broker; vereist voor ongedekte opties, waar verliezen de premie kunnen overtreffen.
Market maker
Een firma die voortdurend bied- en laatprijzen afgeeft en zo de liquiditeit levert waarmee je op elk moment opties kunt verhandelen.
Max pain
De strike waarop de meeste optiepremie waardeloos afloopt, wat het grootste totale verlies voor optiekopers veroorzaakt.
Mid price
Het middelpunt tussen bied en laat — een eerlijke schatting van de optiewaarde en een goed startpunt voor een limietorder.
Moneyness
Waar de strike staat ten opzichte van de koers — in, at of out of the money.
Naked (uncovered) option
Een geschreven optie zonder compenserend aandeel of optie erachter — groot of onbeperkt risico, met het hoogste goedkeuringsniveau vereist.
Notional value
De totale waarde van de aandelen die een optie beheerst — de strike maal 100, niet de premie die je betaalt.
Open interest
Het aantal optiecontracten dat momenteel openstaat op een bepaalde strike — een maat voor hoeveel een contract gebruikt wordt.
Order types (to open / to close)
Optieorders geven de bedoeling aan: buy-to-open en sell-to-open openen een positie; buy-to-close en sell-to-close sluiten er een.
Out of the money (OTM)
Een optie zonder intrinsieke waarde — het is enkel tijdwaarde, en loopt waardeloos af als het aandeel niet genoeg beweegt.
Pin risk
De onzekerheid wanneer een aandeel op expiratie precies op je geschreven strike sluit — je wordt misschien wel of niet toegewezen, wat een onverwachte positie oplevert.
Poor man’s covered call (PMCC)
Een deep in-the-money LEAPS-call als aandelenvervanger gebruiken en er kortlopende calls tegen schrijven — een covered call met minder kapitaal.
Premium
De prijs van de optie zelf — wat de koper betaalt en de verkoper ontvangt, genoteerd per aandeel (dus × 100 per contract).
Probability of profit (POP)
De geschatte kans dat een trade winstgevend eindigt, afgeleid uit de impliciete volatiliteit en de break-evens.
Protective put
Een put kopen tegen aandelen die je bezit om een bodem onder de koers te leggen — verzekering tegen een betaalde premie.
Put
Een optie die de koper het recht geeft 100 aandelen tegen de strike te verkopen vóór expiratie — hij wordt meer waard als het aandeel daalt.
Put-call parity
De vaste relatie tussen een call, een put, het aandeel en de strike die de prijzen consistent houdt — verbreek ze en er is arbitrage.
Ratio spread
Een spread waarbij je meer opties schrijft dan koopt — hij int extra premie maar laat wat ongedekt risico over.
Rho
Hoeveel de optieprijs verandert wanneer de rente met één procentpunt beweegt — meestal de kleinste van de Grieken.
Rolling
Een optie sluiten en een vergelijkbare heropenen op een latere datum of andere strike — gebruikt om een trade te verlengen of risico te beheren.
Slippage
Het verschil tussen de prijs die je verwachtte en de prijs die je werkelijk kreeg — erger bij brede, illiquide optiespreads.
Spread
Een positie van twee of meer gecombineerde opties, meestal om zowel de kost als het risico te begrenzen.
Straddle
Een call en een put op dezelfde strike kopen (of verkopen) — een pure weddenschap op hoevéél het aandeel beweegt, in beide richtingen.
Strangle
Zoals een straddle maar met de call en put op verschillende out-of-the-money strikes — goedkoper, maar vergt een grotere beweging om uit te betalen.
Strike price
De vaste prijs waartegen een optie kan worden uitgeoefend — het referentiepunt waarrond een call of put uitbetaalt.
Synthetic position
Opties (en soms aandelen) combineren om de payoff van een ander instrument na te bootsen — bv. een call plus een geschreven put gedraagt zich als long aandelen.
The Greeks
De set maatstaven — delta, gamma, theta, vega, rho — die beschrijven hoe de optieprijs reageert op koers, tijd, volatiliteit en rente.
The wheel strategy
Een cyclus van cash-secured puts schrijven, toewijzing accepteren en dan covered calls schrijven — een mechanische inkomstenroutine op aandelen die je wil bezitten.
Theta
Hoeveel waarde een optie elke dag verliest door tijdverlies; het werkt tegen kopers en vóór verkopers.
Time value (extrinsic)
De rest van de optieprijs boven de intrinsieke waarde — wat je betaalt voor de resterende tijd en volatiliteit; het daalt naar nul tegen expiratie.
Underlying
Het aandeel, de ETF of index waarop een optie is gebaseerd — de koers ervan is wat de optie uiteindelijk volgt.
Vega
Hoeveel de optieprijs verandert wanneer de impliciete volatiliteit met één punt stijgt of daalt.
Vertical spread
Twee opties van hetzelfde type en dezelfde expiratie maar verschillende strikes kopen en verkopen — een gerichte weddenschap met gedefinieerd risico.
Volatility skew
Het patroon waarbij opties op verschillende strikes verschillende impliciete volatiliteiten dragen — meestal zijn puts duurder, wat crashangst weerspiegelt.
Volume
Het aantal optiecontracten dat gedurende de dag verhandeld wordt — een maat voor hoe actief een strike nu is.
Weeklys
Opties die elke week aflopen in plaats van maandelijks — populair voor kortetermijntrades en precieze timing rond gebeurtenissen.

Alleen voor educatief gebruik. Koersen zijn ~15 minuten vertraagd en niets hier is financieel advies. Optiehandel brengt een aanzienlijk risico op verlies met zich mee. Gidsen · Strategieën.